Een bezoeker leest je pagina niet, hij scant hem. Hij kijkt naar de kop bovenaan, springt naar de tussenkoppen die ernaar uitzien dat ze zijn vraag beantwoorden, en pas als er iets bij zit begint hij te lezen. Google doet in de kern hetzelfde: de koppen vertellen waar de pagina over gaat en hoe hij is opgebouwd.
Dit artikel gaat over de tekst zoals hij op de pagina staat: de H1, de tussenkoppen, de hoeveelheid tekst, de keywords-tag die al jaren niets meer doet, en de paar regels broncode die bepalen of een browser je opmaak weergeeft zoals je hem bedoeld hebt. Het zijn de controles die je in een SEO-rapport terugvindt onder “Inhoud”.
De H1: de kop boven je pagina
De H1 is de belangrijkste kop op de pagina en staat in de broncode als <h1>. Hij doet twee dingen tegelijk. Voor de bezoeker die net uit Google kwam is het de bevestiging dat hij goed zit: hij zocht op “dakreparatie Etten-Leur” en hij ziet die woorden terug in de kop. Voor Google is het een sterk signaal over het onderwerp van de pagina.
Ontbreekt de H1, dan mist die bevestiging. De bezoeker landt in een blok tekst zonder aankondiging en moet zelf uitzoeken waar hij is. Dat kost seconden die je meestal niet hebt.
Een enkel woord is te weinig. “Diensten” of “Welkom” zegt niets wat de titel niet al zei. Schrijf een kop die de belofte van de pagina bevat: “Dakreparatie in Etten-Leur, binnen 48 uur ter plaatse”. Onder de twintig tekens lukt dat zelden.
Meer dan één H1: geen fout
Veel SEO-tools kleuren een pagina rood zodra er twee H1’s op staan. Dat is een hardnekkig verhaal. Google zelf is er duidelijk over: er is geen ideaal aantal koppen, en koppen in een andere volgorde gebruiken dan H1, H2, H3 is geen probleem. Search Central schrijft het met zoveel woorden in de documentatie over kopteksten.
Ons rapport meldt het aantal H1’s daarom wel, maar trekt er geen punten voor af. Waar je wel op moet letten is de bedoeling: als je thema om opmaakredenen van elke sectietitel een H1 maakt, is er geen kop meer die eruit springt. Dat is een ontwerpprobleem, geen rankingprobleem.
Tussenkoppen: de structuur onder de kop
Onder de H1 hoort je tekst in secties te vallen, elk met een eigen H2 en waar nodig een H3 eronder. Google vraagt hier expliciet om: breek lange inhoud op in alinea’s en secties, en geef die secties koppen zodat mensen erdoorheen kunnen navigeren.
Een pagina zonder tussenkoppen is een muur. Niemand leest een muur, ook niet als de tekst goed is. Zes alinea’s met vier tussenkoppen erboven worden gelezen; dezelfde zes alinea’s aan één stuk worden weggeklikt.
Sla geen niveaus over. Van een H2 naar een H4 springen is geen ramp voor je positie in Google, maar schermlezers gebruiken die niveaus om een inhoudsopgave op te bouwen en een gat erin maakt die opgave onbruikbaar. Hetzelfde geldt voor koppen die alleen maar dikgedrukte tekst zijn: als het een kop is, maak er dan een kop van.
Hoeveel tekst heeft een pagina nodig?
Er bestaat geen minimum. Google is daar ongewoon direct over: de lengte van de tekst alleen zegt niets over de kwaliteit, en er is geen magisch aantal woorden. Een contactpagina van tachtig woorden kan perfect zijn, en tweeduizend woorden vulling helpen je niet vooruit.
Ons rapport telt daarom wel de woorden, de alinea’s en de gemiddelde zinslengte, maar rekent er niets voor af. Het staat er om je een beeld te geven. Als een dienstpagina op vijftig woorden uitkomt, is dat meestal geen keuze geweest maar een pagina die nooit is afgemaakt, en dat is het signaal waar je op moet reageren.
Wat wel telt bij het lezen: alinea’s van drie of vier zinnen, af en toe een opsomming, en zinnen die niet over drie regels doorlopen. Dat leest op een telefoon, en op een telefoon komt het merendeel van je bezoek binnen.
De keywords-tag: laat hem staan of haal hem weg
De <meta name="keywords">-tag is een overblijfsel uit de jaren negentig, toen je zoekmachines kon vertellen op welke woorden je gevonden wilde worden. Dat werd zo grondig misbruikt dat Google er al in 2009 publiekelijk mee gestopt is. De tag doet vandaag niets.
Schade richt hij ook niet aan, dus je hoeft er geen project van te maken. Wat wel zonde is, is de tijd die eraan besteed wordt: als iemand in jouw organisatie bij elke nieuwe pagina een rijtje zoekwoorden invult, doet die persoon werk dat nergens gelezen wordt.
Wat een browser nodig heeft
Twee regels bovenin je broncode bepalen of de rest klopt. De eerste is de tekenset: <meta charset="utf-8">. Ontbreekt hij, dan kan een browser gokken, en dan wordt “café” ineens “café” en “Ontvangen” iets onleesbaars.
De tweede is het doctype: <!DOCTYPE html>, en dan als allereerste regel van het document. Staat hij er niet, of staat er een oude variant, dan schakelt de browser over op een compatibiliteitsmodus met opmaakregels uit de jaren negentig. Je CSS doet dan iets anders dan je verwacht en je gaat zoeken naar een fout die er niet is.
Daarnaast komen er in oude pagina’s nog tags voor die uit HTML verdwenen zijn, zoals <center>, <font> en <marquee>. Ze werken meestal nog, maar ze zijn een teken dat de pagina al lang niet is aangeraakt, en dat is zelden het enige wat er dan achterloopt.
Wat je vandaag kunt doen
- Open je belangrijkste pagina en kijk of er een duidelijke kop bovenaan staat die vertelt wat je aanbiedt.
- Scroll erdoorheen en tel de tussenkoppen. Staat er meer dan een scherm tekst zonder kop, zet er dan een.
- Lees de eerste alinea hardop. Loopt er een zin over drie regels, hak hem doormidden.
- Kijk of er ergens nog zoekwoorden in een keywords-tag worden bijgehouden en stop daarmee.
- Bekijk de broncode en controleer of de eerste regel
<!DOCTYPE html>is en of er een charset staat.
Wil je weten hoe jouw pagina er op deze punten voor staat, zonder er zelf in de broncode voor te duiken? Doe de gratis SEO-check: je ziet binnen enkele seconden je score en wat er per onderdeel gemeten is.